Maandelijks archief: maart 2018

Bij het overlijden van Jan Mouthaan…

05-03-2018…

Afgelopen vrijdag gonst nog na…. het hele weekend al.

Ik was weer eens in Roosendaal, de plaats waar ik tot m’n 19e gewoond heb.
Het ging om een uitvaart.
Dit keer was de noodlottige beurt aan Jan Mouthaan, vader van m’n oude vriendjes Frenk en zus Brenda.
Geboren in Semarang in 1941 en in Holland vanaf z’n 15e, stierf hij onlangs aan een acute hartstilstand in zijn huis in een Roosendaalse buitenwijk.
Jan werd aan het eind van de middag gevonden door z’n schoondochter die de hond kwam halen of brengen, dat weet ik niet meer.
Z’n nasi goreng en loempiaatjes stonden klaar op het aanrecht, hij was niet bezig met (bijna) dood gaan.

Hoe vaak ik daar in mijn puberteit onwaarschijnlijk lekker heb gegeten kan ik me niet herinneren, maar het is heel vaak geweest.
En dan ook nog regelmatig bij oma Mouthaan, Jan’s moeder.
In principe was het elke vrijdag raak, en dan ook meteen met een hele ‘gang’.
Daarna gingen we op stap, de disco in en soms ook nog na sluiten van die disco naar Antwerpen.
Frenk had altijd al een auto, en een boel van die andere gasten ook, ik niet.
Eten deed ik trouwens ook om de haverklap bij diverse andere families waar ik op de een of andere manier met grote bek en al welkom was rond etenstijd.
Niet zelden ging er nog een tupperware bak vol heerlijks mee naar huis, voor vader/moeder en vanaf m’n 17e voor mezelf.
Ik woonde immers al zelfstandig vanaf die mooie leeftijd; een heel ander verhaal.
Zoals bij alle Indische/Molukse mensen is gastvrijheid iets van een heel eigen orde.
Weg zonder eten is lastig…. zit niet echt in ‘het systeem’.

Wat hebben mensen zoals Jan, maar ook m’n schoonvader, ooms en tantes van mijn meisje en de ouders van al die Indische/Molukse vrienden en familie toch moeten doormaken om in het na-oorlogse Nederland een waardige eigen plek te verwerven?
Wat is je identiteit en wat voor emotioneel, psychische krachten worden er relatief jong in je leven op je los gelaten in een compleet vreemde wereld?
Indo’s bijvoorbeeld werden ‘daar’ gepest en hier goeddeels smerig aangekeken, zoals we nu nog steeds doen met ‘vreemdelingen’, inmiddels deels aangemoedigd door wat zich politici noemt.

Jan was 15 toen ‘ie met z’n 1 jaar oudere broer ‘vooruit’ gestuurd werd vanuit Indonesië.
De rest van het gezin zou later komen.
Je bent dus 15 en wordt gelanceerd in een totaal onbekende wereld, komend uit Indonesië dat nauwelijks is bekomen van een oorlog c.q. een strijd om onafhankelijkheid.
Je hebt gehoord dat het er koud is en vraagt je af hoeveel blouses je over elkaar aan moet trekken om warm te blijven.
Je hebt het nog nooit koud gehad.
Je hebt geen besef dat de ‘witten’ uit Indonesië zijn niet representatief voor de ‘witten’ in Nederland.
Je komt terecht in een of ander pension, tussen wildvreemden.
Je hebt geen idee wat de toekomst gaat brengen maar bent wel alvast begonnen met een door het werk aan de Birma spoorlijn getraumatiseerde vader, eentje die uiteindelijk ook nog kort na aankomst sterft in dat koude land.
Je moeder is een jonge weduwe.
Je hebt nauwelijks mentaal gereedschap meegekregen om in een vertrouwde omgeving prettig door je jeugd te komen, laat staan in een compleet vreemde wereld, de zogenaamd westerse beschaving.

Waar is de flexibiliteit vandaan gekomen om ‘een of andere draad’ op te pikken?
Waar is de wilskracht vandaan gekomen om een hard werkend tolerant mens te worden, eentje die ambitieuze verantwoordelijkheden oppakt voor zichzelf en ook nog voor een eigen gezin, familie en een ‘gemeenschap’?

Die hele generatie is zwaar getest, en weer anders dan de generatie van mijn directe familie die immers vlak voor of in de oorlog zijn geboren, dan wel er jong volwassen en ‘gezin’ in geweest zijn.
‘Laat nooit iemand je vertellen dat het vroeger beter was’ zei ooit m’n opa tegen mij.
Mijn generatie en die erna zullen hopelijk nooit hoeven voelen wat het is om in zoveel onduidelijkheid en onzekerheid te moeten leven, en om zoveel traumatiserende ellende en destructie te moeten doorstaan.
Inderdaad, zoals nu weer mensen in Syrië en elders.
Dat je ‘blij’ mag zijn dat je het hebt overleefd.
Indo’s en andere ‘bruinen’ hebben dan na achterlaten van hun vertrouwde omgeving en cultuur ook nog even met een heel andere wereld te maken, een wereld met compleet andere omgangsvormen bijvoorbeeld.
Niet alleen de temperatuur buiten, maar ook de temperatuur in de alledaagse omgang is onvergelijkbaar anders.

Jan dronk veel, rookte heel veel, werkte heel hard en lang, sowieso tot z’n 69e.
Grote bek, groot hart, heel groot hart.
Z’n eerste huwelijk – uit de tijd dat ik er veel overhuis kwam – liep stuk.
Zoals bij al m’n vriendjes dacht ik dat het bij hun thuis allemaal wél in balans en ‘gezellig’ was, in tegenstelling tot bij mij thuis.
Later kom je er achter – in zekere zin gelukkig – dat het bijna overal gedoe was/is.

Jan’s tweede huwelijk eindigde met het overlijden van z’n vrouw Roos, na 23 jaar samenzijn.
Hij runde in die 70-er jaren ook nog ’Fun’, een zaalvoetbalclub voor de lokale Indische/Molukse pubers.
‘Hollandse jongens’ waren ook gewoon welkom.
Ik heb enorm gevoetbald in m’n jonge jeugd, ook in clubverband, maar heb het nooit tot Fun gered.
Waarschijnlijk was ik mede door angst voor blessures niet goed genoeg, en zeker niet fanatiek genoeg.
Die gasten gingen er altijd volle bak in, en bij ‘gedoe’ behoorde een matpartij zeer wel tot de mogelijkheden.
Ik was en ben bang om te vechten, deze gasten niet, een deel kreeg thuis ook nogal eens klappen.

Zoonlief, mijn vriend, was als puber niet overdreven ambitieus om er op het gebied van scholing echt álles uit te persen, dus het was thuis een doorgaande battle met een pa die minimaal ‘karakter’ verwachte.
Dochterlief was – en is nog steeds – een knapperd en had niet echt gebrek aan aandacht van de jongens, ook iets waar je je als een beetje vader al gauw druk over maakt.
Mijn schoonvader en ik weten er alles van.

Jan werkte, en werkte, en werkte, op booreilanden, ‘plants’ in den verre, fabrieken, uiteindelijk altijd op contractbasis  en in een leidende rol.
Een paar jaar geleden was er groot medisch leed, eerst een herseninfarct en later een 5 dubbele bypass (open) hartoperatie.
Vrijdag al kreeg ik uit diverse hoeken te horen dat hij de laatste tijd in een veel betere conditie was dan een paar jaar daarvoor.
Menigeen dacht dat ‘ie die fase sowieso niet zou overleven.
Eigenlijk waren de laatste jaren bonusjaren, zo werd beredeneerd, jaren waarin hij o.a. kon genieten van simpelweg opa zijn.

De uitvaart was enorm druk, het crematorium zat gewoon bomvol.
De enig nog levende broer, z’n 2 kinderen en een kleinkind spraken, uit hun hart.
De andere 2 broers zijn niet ouder geworden dan een stukje in de vijftig.
Er was muziek, uiteraard Indo rock, Emmylou Harris…… ‘C’est La Vie’…..
In ieder geval is hem het eindeloze gesleur langs revalidatiecentra, verzorgings-, en ziekenhuizen bespaard gebleven, tot in ieder geval de geruststelling van z’n kinderen en directe familie.
Ik zag en sprak een eindeloze groep lieve mensen uit mijn jeugd en puberteit.
Mensen die zelf ook al opa’s, oma’s, ouders, broers, zussen, ooms, tantes en zelfs eigen kinderen hebben verloren.
‘Jij kent ons niet meer’ zei een oude grijze pinda die met een andere grijze pinda stond te praten.
Zeker 25/30 jaar niet gezien, maar ik noemde ze alle twee uit stand bij hun voornaam, gelukkig raak.
Die kans is bij mij sowieso niet heel groot, maar ik ben toch ook al bijna 37 jaar weg daar.
Ze hebben kennelijk indruk gemaakt, al waren ze toen veel jonger waren dan ik nu.
Standaard vraag: ‘Hoe is het in de muziek?’.
En anders: ‘Hoe is het met Julia?’ of: ‘Hoe is het in Amsterdam?’.

Na de koffie met cake kwam er een uitgedund gezelschap naar het huis van Jan.
Bord nasi met kip, komkommer, kroepoek en sambal.
De huiskamer was nog helemaal ‘Jan’, goeddeels in Indische sferen, een fruitmand, schilderijen, foto’s, een computer….
Ik maakte nog een praatje met deze en gene, had zus/dochterlief nog even in m’n armen, sloeg het bier af en ging na de nasi maar weer op Mokum aan.
Er was ijzel en sneeuw voorspeld.
Nog even een piesen, op een wc die ik zo’n 40 jaar geleden regelmatig bezocht heb.
De tegeltjes met levenswijsheden kwamen me bekend voor.
Er stonden 6 volle flessen met water – botol cebok – , naar goede Indische traditie, klaar voor het afspoelen van het achterwerk na ‘number one’.
In de nog bomvolle huiskamer klonk het gezellig en rumoerig.
Ik liep de lichte sneeuw in en er beklom me een bevreemdend gevoel bij het besef dat het later die avond in de huiskamer leeg en koud zou zijn.

Jan had een lijfspreuk, bij voor-, én tegenspoed: ‘C’est la vie’.